Ordre Equestre du Saint-Sépulcre de Jérusalem-Lieutenance de Belgique - Ridderorde van het Heilig Graf–Landscommanderij België
https://ordredusaintsepulcre.be/Lezingen-voor-de-zesde-zondag-van-de-vasten-Palmenzondag-Liturgisch-jaar-A
        Lezingen voor de zesde zondag van de vasten (Palmenzondag) – Liturgisch jaar (...)

Lezingen voor de zesde zondag van de vasten (Palmenzondag) – Liturgisch jaar A

Hierna volgen de lezingen voor Palmzondag - Liturgisch jaar A


Blijde Intocht in Jeruzalem (Mt 21, 1-11)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Mattheüs
Jezus en zijn leerlingen naderden Jeruzalem en kwamen in Betfage op de Olijfberg.
Daar stuurde Jezus twee leerlingen eropuit met de opdracht:
“Ga naar het dorp daar vlak voor je.
Jullie zullen er meteen een ezelin vinden, die vastgebonden staat
en een veulen bij zich heeft.
Maak ze los en breng ze bij Me.
En als iemand jullie iets zegt, zeg dan:
‘De Heer heeft ze nodig. Maar Hij stuurt ze meteen terug.”

Dit is gebeurd opdat vervuld zou worden
wat bij monde van de profeet gezegd is:
“Zeg tegen de dochter Sion:
zie, uw koning komt naar u toe,
zachtmoedig en zittend op een ezel,
op een veulen, het jong van een lastdier.”

De leerlingen gingen en deden wat Jezus hun opgedragen had.
Ze brachten de ezelin en het veulen, legden er kleren overheen,
en Hij ging erop zitten.
Zeer veel mensen spreidden hun kleren uit op de weg,
anderen sneden takken van de bomen en legde die op de weg.
Zowel de menigte die voor Hem uit ging
als die welke Hem volgde, schreeuwde;
“Hosanna, de Zoon van David.
Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.
Hosanna, in de hoogste hemel.”

Toen Hij Jeruzalem binnengetrokken was,
kwam de hele stad in beweging en ze vroegen:
“Wie is dat?
En de mensen zeiden:
“Dat is de profeet, Jezus van Nazareth in Galilea.”
Jezus ging de tempel binnen.

Verkondigen wij het Woord van de Heer.

Eerste lezing (Js 50, 4-7)

“Mijn gezicht heb ik niet onttrokken aan beschimpingen en bespuwing
Ik weet dat ik niet beschaamd zal worden”

Lezing uit de Profeet Jesaja

“De Heer God heeft mij als een leerling leren spreken,
om uitgeputte mensen te kunnen bijstaan.
Met een woord wekt Hij mij in de ochtend,
in de ochtend wekt Hij mijn oor om als een leerlinge toe te horen.
De Heer God heeft mijn oor geopend,
en ik heb mij niet verweerd,
ik ben niet teruggedeinsd.
Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan,
en mijn wangen aan hen die mij de baard uitrukten;
mijn gezicht heb ik niet onttrokken
aan beschimping en bespuwing
De Heer God staat mij bij,
daarom maak ik mijn gezicht hard als een steen,
omdat ik weet dat ik niet beschaamd zal worden.

Woord van de Heer

Psalm (Ps 21 [22], 8-9, 17-18a, 19-20, 22c-24a)

R/ Mijn God, mijn God,
Waarom heb je me in de steek gelaten (Ps 21, 2a)

Iedereen die mij ziet, lacht en spot met mij,
gaat grijnzen en schudt zijn hoofd:
Hij bouwt op de Heer, die zal hem redden,
die zal hem bevrijden, Hij houdt toch van hem.

Ja, de honden staan al om mij heen,
een meute boosdoeners heeft mij omsingeld,
zij hebben mijn handen en voeten doorboord.
Mijn beenderen kan ik tellen, één voor één.

Ze verdelen mijn klederen onder elkaar
en dobbelen om wat ik aan heb.
HEER, houd u niet ver van mij;
mijn kracht, haast u en help mij!

U antwoord mij!
Ik zal uw naam verkondigen bij mijn broeders en zusters,
en U prijzen in de gemeenschap.
Wie de HEER vreest, prijst Hem.

Tweede lezing (Fil 2, 6-11) “Hij heeft zichzelf vernederd en daarom ook heeft God Hem hoog verheven”

Lezing uit de brief van de Heilig Apostel Paulus aan de Filippenzen

Broeders en zusters,
Hij die bestond in de gestalte van God
heeft er zich niet aan willen vastklampen
gelijk aan God te zijn.
Hij heeft zichzelf ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
heeft Hij zich vernederd;
Hij werd gehoorzaam tot de dood,
de dood aan het kruis

Daarom ook heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen staat,
opdat in de naam van Jezus
iedere knie zich zou buigen,
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
en iedere tong zou belijden
tot eer van God, de Vader
de Heer, dat is Jezus Christus.

Woord van God

***Evangelie (Mt 26, 14-27, 66

Eer en lof zij u, HEER Jezus,
voor ons is Christus gehoorzaam geworden
tot de dood aan het kruis
Daarom heeft God Hem hoog verheven
en heeft Hij Hem een naam gegeven
die boven alle namen staat
Eer en lof zij U, HEER,
eer zij U. (cfr. Fil 2, 8-9)

Het lijdensverhaal van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs.

Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot heette naar de hogepriesters en zei:
"Wat wilt u mij geven, als ik Hem aan u overlever?”
Ze telden dertig zilverstukken voor hem uit.
Vanaf toen zocht hij een gunstig moment om Hem over te leveren.

Op de eerste dag van het feest van de ongedesemde broden
kwamen de leerlingen Jezus vragen:
“Waar wilt U dat wij het paasmaal voor U voorbereiden?”
Hij zei: “Ga naar de stad, naar die en die, en zeg hem:
‘De meester laat weten: Mijn tijd is nabij.
Bij u wil ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.”

De leerlingen deden wat Jezus hun opgedragen had,
en ze maakten het paasmaal klaar.

Toen de avond gevallen was, was Hij met de twaalf aan tafel.
Tijdens de maaltijd zei Hij: “Ik verzeker jullie, een van jullie zal Mij overleveren.”
Buitengewoon bedroefd als ze waren, begonnen ze Hem één voor één te vragen:
“Ik ben het toch niet, Heer?” Hij gaf hun ten antwoord:
“Wie met Mij zijn hand in de schaal doopt, die zal Mij overleveren.
De Mensenzoon gaat wel heen zoals over Hem geschreven staat,
maar wee die mens door wie de Mensenzoon overgeleverd wordt.
Het zou beter zijn voor die mens, als hij niet geboren was.”

Judas, die Hem wilde overleveren, reageerde: “Ik ben het toch niet , rabbi?”
Hij zei tegen hem: “Jij hebt het gezegd.”
Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood en sprak de zegenbede uit,
brak het, gaf het aan zijn leerlingen en zei:
"Neem en eet, dit is mijn lichaam.”
Ook nam Hij de beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die met de woorden:
“Drink er allen uit, want dit is mijn bloed van het verbond
dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van de zonden.
Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer drinken van deze vrucht van de wijnstok,
tot de dag waarop Ik met jullie de nieuwe oogst zal drinken
in het koninkrijk van mijn Vader.”

Na het zingen van de psalmen gingen ze de stad uit, naar de Olijfberg.

Toen zij Jezus tegen hen: “deze nacht nog zullen jullie allemaal ten val komen vanwege Mij,
want er staat geschreven: ‘Ik zal de herder treffen,
en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden
Maar na mijn opwekking zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.”

Petrus reageerde daarop en zei: “Al komen ze allemaal ten val vanwege U,
ik zal nooit ten val komen.”

Jezus zei hem: “Ik verzeker je, in deze nacht, nog voordat de haan kraait,
zul je Me drie keer verloochenen.”

Petrus zei Hem: “Ook al moet ik samen met U sterven, ik zal U niet verloochenen.”
In deze trant spraken alle leerlingen.

Toen ging Jezus met hen naar een plek die Getsemane genoemd wordt
en Hij zei tegen zijn leerlingen: “Ga hier zitten, terwijl ik daar ga bidden.”
Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee
en begon bedrukt en onrustig te worden
Toen zei Hij tegen hen: “Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier en blijf wakker met Mij.”
Hij ging een eindje verder, wierp zich voorover en bad:
“Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan.
Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.”

Hij ging terug naar de leerlingen en vond hen in slaap, en Hij zei tegen Petrus:
“Konden jullie dan niet één uur wakker blijven met Mij?
Blijf wakker en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken.
De geest is wel van goede wil, maar het vlees is zwak.”

En weer, voor de tweede maal, ging Hij bidden:
“Mijn Vader, als het niet mogelijk is dat deze beker voorbijgaat zonder dat Ik hem drink,
laat uw wil dan geschieden.”

Toen Hij terugkwam, vond Hij hen wederom in slaap, want hun ogen waren zwaar.
Hij liet hen achter en ging opnieuw bidden, voor de derde keer, met dezelfde woorden.
Toen kwam Hij naar de leerlingen en zei tegen hen: “Slaap nu maar rustig verder.
Nu is het uur nabij dat de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars.
Sta op, laten we gaan. Kijk, hij die Mij overlevert, komt eraan.”

Hij was nog niet uitgesproken of Judas kwam eraan, een van de twaalf,
en hij had een grote bende bij zich met zwaarden en knuppels,
gestuurd door de hogepriesters en oudsten van het volk.
Hij die Hem overleverde, had een “teken” met hen afgesproken:
“Degene die ik ga kussen, die is het. Grijp Hem.”
Hij ging recht op Jezus af en zei: “Gegroet, rabbi!” en hij kuste Hem.
Jezus zei tegen hem: “Vriend, ben je daarvoor hier!”
Toen kwamen ze dichterbij, grepen Jezus en overmeesterden Hem.
En kijk, een van de volgelingen van Jezus greep naar het zwaard, trok het,
sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem zijn oor af.
Toen zei Jezus tegen hem: “Steek je zwaard weer op zijn plaats.
Want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.
Of denk je dat ik mijn Vader niet ter hulp kan roepen?
Dan zal Hij Me dadelijk bijstaan met meer dan twaalf legioenen engelen.
Hoe zullen dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het zo moet gebeuren?”

Op dat ogenblik zei Jezus tegen de bende: “Alsof ik een bandiet ben,
zo bent u met zwaarden en stokken op Mij afgekomen om Mij in handen te krijgen.
Dag in dag uit zat Ik in de tempel onderricht te geven en u hebt Mij niet opgepakt.
Maar dit alles is gebeurd, opdat de geschriften van de profeten vervuld zouden worden.”

Toen lieten de leerlingen Hem allemaal in de steek en vluchtten weg.

Maar zij die Jezus gegrepen hadden, brachten Hem naar de hogepriester Kajafas,
waar de schriftgeleerden en de oudsten bij elkaar gekomen waren.
Petrus volgde Hem op een afstand tot de binnenplaats van het paleis van de hogepriester,
en eenmaal binnen ging hij bij de knechten zitten om te zien hoe het zou aflopen.
De hogepriesters en heel het Sanhedrin zochten valse getuigenissen tegen Jezus
om Hem ter dood te kunnen brengen. Maar ze vonden niets,
hoewel er veel valse getuigen naar voor traden.
Ten slotte kwamen er twee naar voren die verklaarden:
“Die man heeft gezegd: ‘Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen opbouwen.”
De hogepriester ging staan en zei tegen Hem: “U antwoordt niets?
Wat brengen ze wel niet tegen U in?”
Maar Jezus bleef zwijgen.
De hogepriester zei tegen Hem: “Ik bezweer U bij de levende God dat U ons zegt
of U de Messias bent, de Zoon van God.”
Jezus zei tegen hem:
“U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien,
gezeten aan de rechterhand van de Macht en komend op de wolken van de hemel.”

Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: “Hij heeft God gelasterd.
Waarvoor hebben wij nog getuigen nodig?
U hebt nu toch de godslastering gehoord. Wat vind u?”

Ze gaven ten antwoord: “Hij verdient de doodstraf.”
Toen spuwden ze Hem in het gezicht en sloegen Hem.
Anderen sloegen Hem met een stok en zeiden:
"Profeteer nu eens voor ons, Messias. Wie was het die je heeft geslagen?”

Petrus zat buiten op de binnenplaats.
Er kwam een slavin naar hem toe die zei: “Jij was ook bij die Jezus van Galilea.”
Maar hij ontkende het waar iedereen bij was: “Ik weet niet waar je het over hebt.”
Hij ging naar het portaal en een andere slavin zag hem daar
en zei tegen wie daar stonden: “Die man daar was bij Jezus de Nazoreeër.”
Opnieuw ontkende hij onder ede: “Ik ken die man niet.”
Na een tijdje kwamen de omstanders dichterbij en zeiden tegen Petrus/
“Inderdaad, jij hoort ook bij hen; jouw spraak verraadt je.”
Toen begon hij te vloeken en te zweren: “Ik ken die man niet.”
En meteen kraaide er een haan. Petrus herinnerende zich wat Jezus gezegd had:
“Voordat de haan kraait, zul je Me drie keer verloochenen.”
Hij ging naar buiten en huilde bittere tranen.

’s Morgens vroeg namen alle hogepriesters en oudsten het besluit om Jezus te doden.
Ze boeiden Hem, voerden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
Toen Judas, die Hem overleverde, zag dat Hij veroordeeld was,
kreeg hij spijt en bracht de dertig zilverstukken terug naar de hogepriesters en de oudsten,
met de woorden: “Ik heb een misdaad begaan door onschuldig bloed over te leveren.”
Maar ze zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Dat moet u zelf maar zien.”
En hij gooide de zilverstukken in de tempel en ging zich ophangen.
De hogepriesters namen de zilverstukken en zeiden:
"We mogen ze niet bij de offergave doen, omdat het bloedgeld is.”
Ze besloten er het land van de pottenbakker van te kopen,
om er de vreemdelingen te begraven.
Daarom wordt dat land Bloedakker genoemd, tot op de dag van vandaag.
Toen werd het woord vervuld dat bij monde van de profeet Jeremia gesproken is.
En ze namen de dertig zilverstukken,
de fraaie prijs waarop de zonen van Israël Hem geschat hadden,
en ze gaven die voor het land van de pottenbakker,
zoals de Heer mij had opgedragen.

Jezus werd voor de gouverneur geleid. De gouverneur stelde Hem de vraag:
“Bent U de koning van de Joden?” Jezus zei: “U zegt het zelf!”
Op de beschuldigingen die door de hogepriesters en oudsten tegen Hem ingebracht werden,
antwoordde Hij niets. Toen zei Pilatus tegen Hem:
“Hoort U niet waar ze U allemaal van beschuldigen?”
Hij gaf nergens antwoord op, zodat de gouverneur zeer verbaasd stond.
Het was de gewoonte van de gouverneur om bij een feest één gevangene vrij te laten,
en wel diegene die het volk wilde.
Ze hadden toen een beruchte gevangene die Barabbas heette.
Omdat ze nu toch bij elkaar waren, zei Pilatus hun: “
“Wie wilt u dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die Messias genoemd wordt?”
Want hij wist dat ze hem uit afgunst overgeleverd hadden.
Terwijl hij rechtszitting hield, stuurde zijn vrouw hem het bericht:
“Laat je niet in met die rechtvaardige man,
want ik heb vandaag in een droom veel om Hem moeten verduren."

De hogepriesters en oudsten haalden de menigte over
om Barabbas te vragen en Jezus te laten doden.
De gouverneur vroeg hen opnieuw: “Wie van de twee wilt u dat ik vrijlaat?”
“Barabbas,” zeiden ze. Pilatus zei tegen hen:
“Wat moet ik dan met Jezus doen, die Messias wordt genoemd?”
Ze riepen allemaal: “Kruisig Hem.”
Maar hij zei: “wat voor kwaad heeft Hij dan eigenlijk gedaan?”
Ze schreeuwden nog harder: “Kruisig Hem.”
Toen Pilatus zag dat niets hielp, maar dat de onrust steeds groter werd,
nam hij water en waste zijn handen voor de ogen van het volk. Hij zei:
“Ik ben onschuldig aan dit bloed. U moet zelf maar zien.”
Heel het volk riep als antwoord: “Zijn bloed komt over ons en onze kinderen!”
Toen liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen
en leverde hij over om gekruisigd te worden.

Toen namen de soldaten van de gouverneur Jezus mee naar het pretorium
en haalden er heel de cohort bij.
Ze trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om;
ze vlochten een krans van doorns, zetten die op zijn hoofd,
gaven Hem een rietstok in de rechterhand, vielen voor Hem op de knieën
en dreven de spot met Hem door te zeggen: “Gegroet, koning van de Joden.”
En ze spuwden Hem in het gezicht, pakten de rietstok en sloegen Hem op het hoofd.
Toen ze zo de spot met Hem gedreven hadden, namen ze Hem de mantel af
en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Ze leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
Toen ze de stad uitgingen, kwamen ze een man uit Cyrene tegen die Simon heette.
Hem dwongen ze zijn kruis te dragen.
Ze kwamen bij een plaats die Golgota heet, wat Schedelveld betekent,
en daar gaven ze Hem een mengsel te drinken van wijn en gal.
Toen Hij geproefd had, wilde Hij niet drinken.
Ze kruisigden Hem en verdobbelden zijn kleren.
Daar hielden ze zittend de wacht bij Hem.
Boven Zijn hoofd hadden ze geschreven waaraan Hij schuldig bevonden was.
“Dit is de koning van de Joden.”
Tegelijk met Hem werden er twee bandieten gekruisigd, een rechts en een links van Hem.
De voorbijgangers lasterden Hem en zeiden hoofdschuddend:
“Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,
red jezelf als je de Zoon van God bent, en kom van het kruis af.”

In diezelfde trant dreven ook de hogepriesters samen met de schriftgeleerden en de oudsten
de spot met Hem: “Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden.
Hij is de Koning van Israël, laat Hij dan nu van het kruis afkomen
en wij zullen Hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld,
laat die Hem redden, als Hij Hem mag.
Hij heeft toch gezegd: Ik ben de Zoon van God.”

Op die manier maakten ook de bandieten die samen met Hem gekruisigd waren
beledigende opmerkingen tegen Hem.

Vanaf het zesde uur viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur.
Rond het negende uur riep Jezus met luide stem uit “Eli, Eli, lema sabachtani?”
Dat betekent: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?”
Sommigen die daar stonden, hoorden dat en zeiden: “Hij roept op Elia.”
Meteen rende een van hen weg om een spons te halen, doopte die in wijn,
stak hem op een rietstok en wilde Hem te drinken geven.
Maar de anderen zeiden: “Niet doen! Laten we eens kijken of Elia Hem komt redden.”
Maar Jezus schreeuwde opnieuw luidkeels en gaf de geest.
Op dat ogenblik scheurde het voorhangsel in de tempel van boven tot beneden in tweeën.
De aarde beefde, de rotsen spleten uit elkaar, de graven gingen open
en de lichamen van veel heiligen die ontslapen waren, werden tot leven gewekt.
Toen Jezus zelf tot leven was gewekt, kwamen ze uit de graven
en gingen ze naar de heilige stad, waar ze aan velen verschenen.
Toen de centurio en zijn mannen, die bij Jezus de wacht hielden,
de aardbeving zagen en wat er allemaal gebeurde, werden ze vreselijk bang.
Ze zeiden: “Werkelijk, Hij was de Zoon van God.”

Op een afstand stonden daar ook veel vrouwen te kijken.
Zij waren Jezus gevolgd uit Galilea en hadden Hem onderhouden.
Daar waren ook Maria Magdala bij, bij Maria de moeder van Jakobus en Jozef,
en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
Toen het avond geworden was, kwam een rijke man uit Arimatea, die Jozef heette;
ook hij was een leerling van Jezus geworden. Hij vervoegde zich bij Pilatus
om het lichaam van Jezus te vragen.
Pilatus gaf toen het bevel om het aan hem af te staan.
Jozef nam het lichaam, wikkelde het in zuiver linnen,
en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had laten uithouwen.
Hij rolde een grote steen voor de ingang van het graf en ging weg.
Maria van Magdala en de andere Maria waren daar tegenover het graf gaan zitten.

De volgende dag, dat wil zeggen na de voorbereidingsdag,
gingen de hogepriesters en de farizeeërs samen naar Pilatus en zeiden:
“Heer, wij moesten eraan denken dat die misleider tijdens zijn leven gezegd heeft:
‘Na drie dagen zal ik tot leven gewekt worden.’
Geef dus het bevel om het graf te beveiligen tot de derde dag.
Want anders komen zijn leerlingen Hem stelen en zeggen ze tegen het volk:
‘Hij is opgewekt uit de doden.’
Die laatste misleiding zou nog erger zijn dan de eerste.”
Pilatus zei tegen hen: “U krijgt een wacht.
Ga veiligheidsmaatregelen treffen zoals jullie het nodig acht.”

Ze gingen weg en na de steen verzegeld te hebben,
beveiligden ze het graf met de wacht.

(Willibrordvertaling – 1999)

Réagir à cet articleRéagir à cet article

Een bericht, een commentaar?

vooraf modereren

Let op: je bericht verschijnt pas wanneer het gelezen en goedgekeurd is.

Wie ben je?
Vul hier je commentaar in

In dit formulier kun je de SPIP-codes {{gras}} {italique} -*liste [texte->url] <quote> <code> en HTML codes <q> <del> <ins> gebruiken. Om een nieuwe paragraaf te maken laat je gewoon een paar regels leeg.

Agenda
mei 2020 :

Niets voor deze maand

april 2020 | juni 2020

newsletter